donderdag 25 september 2008

De markante kostwinning van Berend Knol

Berend Knol kwam vrijwel elke dag bij ons in de boekwinkel om met een aardige korting flink wat boekjes en aanverwants in te slaan, met de bedoeling om daarmee zelf handel te drijven en op die manier zijn uitermate karige bestaan toch nog marginaal te verbeteren. Daartoe reisde hij vooral naar Delfzijl om daar op de schepen zijn lectuur aan te bieden in ruil voor een redelijk bedrag. Nog liever dreef hij echte ruilhandel, zoals met sigaretten, en helemaal als die van in ons land niet of nauwelijks bekende, zelden of nooit via de normale kanalen verkrijgbare, merken waren. Dan verdiende hij zeker het dubbele van wat hij normaal gesproken aan winst kon opstrijken. Want voor zulke rookartikelen had hij in diverse café's en de toenmalige Wachtkamer voor de bussen bij het al net zo toenmalige Hoofdstation diverse klanten, die maar wat graag een veelvoud van zijn voorraden hadden afgenomen.
Slechts bij tussenpozen lukte het Berend om met tassen vol andere artikelen van de diverse schepen in Delfzijl naar onze stad terug te keren. Een enkele keer had hij zelfs een echte meevaller. De meeste schepen lagen er een halve dag of iets langer, maar af en toe lag zo'n schip er een paar dagen en dan gebeurde het ook wel dat een kapitein of andere rangoudste hem een bestelling meegaf, en heel soms kreeg hij dan de toevoeging "Het maakt niet uit wat het kost. Die boeken wil ik graag." En dan verdiende hij een paar keer echt goed, want uit blijdschap over de gelukte transactie stopte een enkele zeeman hem dan naast het afgesproken bedrag wat extra toe: rokerij of een paar rijksdaalders.
Die Berend had een uitstekend gevoel voor humor en hij slaagde er dan ook dikwijls in mensen dingen te laten geloven, die volstrekt niet mogelijk, dan wel zeer onwaarschijnlijk, waren. Dat lukte hem vooral doordat hij in staat was doodernstig te blijven kijken. Hij kwam af en toe met prachtige verhalen over situaties van tien jaar eerder of zelfs langer geleden. Het mooiste verhaal uit zijn koker was het volgende.
Berend was 'in Indië' geweest, en nadat die diensttijd erop zat en hij naar Nederland terugkeerde, wilde hij eerst zijn ouders in Friesland bezoeken. Tijdens zijn afwezigheid was er in het dorp een nieuwe dominee gekomen die nog bezig was alle parochianen te bezoeken, en zoals het toeval dan speelt, zat die dominee aan de koffie bij Berends ouders toen hij weer thuiskwam. Het gesprek van de dominee met de ouders was nog niet op 'de kinderen' gekomen, zodat Berend voor de eerwaarde een nog onbeschreven blad vormde. Vriendelijk bedoeld, maar toch ietwat uit de hoogte had dominee's vraag geklonken: "En, jongeman, wat doe jij voor de kost?"
"Ik ben stamhoofd op Kaloe Lappie," antwoordde Berend spontaan.
"Ooo, wat interessant," reageerde de zielenherder geïmponeerd.

dinsdag 23 september 2008

Alles wat u voelt, denkt of wilt weten . . . . .

Gevoeligheden
In de beginjaren van mijn boekhandels- en uitgeverstijd in Groningen — en dat is inmiddels alweer ruim vier decennia geleden — zag ik op een zeer rustige namiddag in de vroege herfst van 1964 een kleine, magere, gedrongen man zeer nadrukkelijk elk boek in de etalage aan de straatkant bestuderen, om vervolgens heel langzaam verder te lopen in de richting van het portiek en aldaar verder te bezien wat de uitstallingsruimte te bieden had. Hij maakte de indruk dat hem niet één zichtbare titel op een boek mocht ontgaan. Het zal al met al een half uur hebben geduurd voordat de man de winkel binnenkwam, een korte groet mompelde en vroeg of hij mij kon consulteren.
"Meneer," zei hij ietwat dreinend-plechtig, en hij wees in de richting van de betonnen steunbalken overdwars, die mijn oudere collega al jaren eerder door een reclameschilder van — met grote letters, goed leesbare — spreuken had laten voorzien. "Nu staat daar een spreuk: Alles wat u voelt, denkt of wilt weten, het is in boeken te vinden. — Ik heb aan u de vraag: Heeft u ook een boekje over het gevoelsleven van een mier?"
"Helaas kan ik u daar niet aan helpen."
"Meneer," zei de man, nog gedecideerder dan tevoren. "Dan mag u die spreuk daar niet hebben staan."
"Toch wel, hoor," riposteerde ik. "Er staat immers niet bij dat al die boeken hier te vinden zijn."
Zonder verdere woorden liet de man toch merken dat het hem echt niet beviel, en met een afgemeten "Goedemiddag" verdween hij zoals hij was gekomen, nu in omgekeerde richting de etalage aan eenzelfde uitgebreide inspectie onderwerpend.

vrijdag 19 september 2008

De handelsgeest van boekengrossier Han H. (1)

Legenden
Han H. deed al geruime tijd in boeken toen ik, eerst zijdelings bij het vak betrokken raakte omdat ik nog naar het gymasium ging en mijn daadwerkelijke betrokkenheid vooralsnog beperkt moest blijven tot zaterdagmiddagen, schoolvakanties en bijzondere omstandigheden. Maar toen ik eenmaal in het circuit was opgenomen, kwam er steeds meer van en over Han H. los. Hij was een wonderlijk heerschap met diverse verrassende optredens, maar het waren vooral zijn, soms al te pijnlijke, fantasterijen die hem het odium van onbetrouwbaarheid hadden verschaft, en dat kon eigenlijk alleen maar doordat hij zelf in het eenmaal gefabuleerde was gaan geloven.
In de oorlogsjaren woonde Han in de hoofdstad van ons land. In zijn huis was nauwelijks ruimte voor iets anders dan zijn handel: zelfs in de badkuip waren de boeken torenhoog opgestapeld.
Op een dag ontmoette een collega deze Han middenop de Dam. Hij zag al snel dat Han de tranen niet kon bedwingen. Daarom stelde de man al snel de vraag:
"Han, wat is er wel aan de hand?"
Met de nodige moeite antwoordde Han met omfloerste stem:
"De Sicherheitsdienst heeft mijn complete handel in beslag genomen omdat ik drie verboden boekjes had. Maar drie, en toch ben ik alles kwijt.
"Maar Han, je kunt toch opnieuw beginnen!"
"Nee," sprak Han, "daar ben ik nu te oud voor geworden."
Han was toen 28 jaar.

Werkelijkheid
Het zal voor menigeen die het verhaal in die tijd hoorde, vast wel aannemelijk hebben geklonken. Verboden boekjes? Dan viel er met de laarzen dreunende Mofrikanen niet te spotten. Doch de werkelijkheid lag — zoals dat heel dikwijls het geval was als Han op het toneel verscheen — wel even anders.
Mede op grond van vaak herhaalde klachten van Hans echtgenote die niet eens meer een bad kon nemen, had Han op een dag het koene besluit genomen zijn hele handel aan de beste en best biedende onder de toenmalige boekhandelaren te verkopen. Die handelaar heeft Han H. daar toen een smak geld voor betaald. Er werd door sommigen die het voor een deel hadden meegemaakt, hardnekkig vastgehouden aan de somma van dertig duizend gulden, maar we mogen, gelet op de periode, aannemen dat het er drieduizend zijn geweest. Kortom: een boel geld.
Han incasseerde dat contant en vertrok ermee naar zijn stamkroeg. Een cirkelend gebaar van zijn rechterhand in de richting van de waard gaf aan dat het vanaf dat moment voor alle aanwezigen vrij drinken werd. De deur van het café ging dan op slot, opdat men verder onder elkaar zou zijn. Goed twee etmalen is de meute in dat café niet alleen figuurlijk doorgezakt, maar op de derde ochtend in de vroegte moest een in alle lichaamsdelen onvaste Han nog wel even met de waard afrekenen. Zelfs dat ging niet meer zoals het had moeten gebeuren, en volgens ooggetuigen hebben diverse anderen flink geholpen met het oprapen van de stapel papiergeld die Han uit handen was gevallen. En zo heeft niet alleen de waard van Hans gelukkige handelshand van een paar dagen tevoren geprofiteerd, doch toen Han richting huis liep, had hij er zelf geen cent meer van over. En daar kon de Sicherheitsdienst, zonder dat deze daar weet van had, een Han ondersteunende rol spelen.

woensdag 6 augustus 2008

Een Tachtiger en diens onbekendheid in de wereld der lezers in de tweede helft van de 20ste eeuw

Advertentieleed
Mijn anderhalve generatie oudere collega JB bedacht in 1964 weer eens een stunt voor de advertentie in het stedelijke huis-aan-huisblad met een toenmalige monopoliestatus. De acquisiteur, een rustige, sympathieke man die echter niet kon worden beschuldigd het buskruit of iets soortgelijks te hebben ontdekt, kwam met enige regelmaat even een praatje maken, om op die manier het waakvlammetje onzer belangstelling flakkerende te houden. Hij kon goed praten en hij kon evenzeer luisteren, maar niet elke grap begreep hij. Tweemaal per jaar kon dezelfde 'grap' als deze niet beide keren van dezelfde persoon kwam. Dus vertelden JB en ik, ieder afwisselend, eens per jaar dat het niet gekker moest worden "met die krant". — "Meneer D, als dat nu zo verdergaat, zeg ik mijn abonnement op uw krant op." Meneer D rechtte dan altijd zijn schouders en keek heel plechtig als hij ons van een onmiskenbaar feit op de hoogte stelde, met vanzelfsprekend in de analen opgenomen woorden: "Wij kennen het systeem van abonnees niet."
Een feit overigens dat op vele van — ik denk zelfs al — die bladen in ons land en elders van toepassing was.

Enfin, JB die een grote voorliefde koesterde voor de schrijfsels van de Tachtigers — welke reeds toen grotendeels waren vergeten — wilde wel eens zien hoeveel mensen de twee navolgende dichtregels konden thuisbrengen:

"Zoals de vlam het hout mint dat zij verteert
Zo minde God mij die mijn vlees verteerde"

Dit liet hij zo in de advertentie opnemen met de toevoeging dat de eerste die op de dag na verschijnen van de huis-aan-huiskrant met de juiste naam van de dichter kwam, voor tien gulden aan boeken mocht uitzoeken.
Het bleef op die bewuste donderdag in de jaren zestig van de vorige eeuw op het punt van de Tachtigers heel stil in onze winkel. Om twee minuten vóór zes stonden we al bij de voordeur om deze af te sluiten, toen er iemand op een luxe fiets met nog glimmende trommelremmen het portiek in kwam, zijn tweewieler tegen de etalageruit plaatste, en vervolgens geheel buiten adem de winkel binnenstapte.
"Is het Homerus misschien?" kon hij nog net uitbrengen voordat hij verder naar lucht hapte.
"Neen," antwoordden JB en ik uit één mond.
"Had ik dat nu maar geweten," zuchtte de man, "dan had ik me niet helemaal uit Haren een ongeluk hoeven te trappen om hier nog voor zessen aan te komen."
JB vroeg toen of de man nog wilde weten van wie de bewuste tekst was. — Ja, dat wel.
"Van Hein Boeken."
"Nooit van gehoord," sprak de man teleurgesteld.
__________
Hein Boeken (1861-1933) schreef boven de twee bewuste regels de cursieve regel:

De blinde en melaatse Violane spreekt:

Zoals de vlam het hout mint dat zij verteert
Zo minde God mij die mijn vlees verteerde
En mij in d'oogen van dien man verneerde
Die tot zijn liefste zoet mij had begeerd
___________
Foto: Hein Boeken te Ede; portret door Willem Witsen. (Collectie Prentenkabinet/Studie en Documentatie Centrum voor Fotografie (SDCF), Universiteit Leiden, inv.nr. E.149 .)

zondag 3 februari 2008

Meneer Da Costa uit Bedum, een nieuwe en altijd opnieuw extra late, donderdagse boekenklant

Het is inmiddels alweer bijna een halve eeuw geleden, om exact te zijn 45 jaar, in de tijd dat ik net was begonnen dagelijks om negen uur de kleurrijke en veelzijdige, niet al te grote boekwinkel te openen en om zes uur te sluiten.
De tamelijk forse man kwam de eerste keer op een donderdagavond nog snel binnen toen ik net de laatste klant had geholpen en deze de winkel verliet. Engelse pockets zocht hij. Na ongeveer twintig minuten kwam hij met tien aanzetten, waarvoor hij tezamen vijf gulden moest neertellen.
Vanaf die donderdag kwam hij iedere week weer, steeds op het laatste moment. Een enkele keer kwam hij ook op zaterdagochtend en dan nam hij echt ruim de tijd om zo goed moelijk aan zijn boekenwensen te voldoen. Eén donderdagavond kwam hij nog de winkel binnen op het moment dat ik de jas al aan had en net de grote schakelaar voor het avond- en nachtlicht zou 'omgooien'. Toen vond ik het nodig hem te vragen om in het vervolg wat vroeger te komen. Dat ging echter niet. Hij woonde in Bedum, op bijna tien kilometer afstand van onze winkel, kwam om half zes thuis van zijn werk en haastte zich dan op zijn bromfiets richting Stad. Juist deze dag stond er een felle wind en hij had de pech dat hij daar tegenin moest.

Doordat de oudere collega, die de man overigens zelden trof, aangezien hij veel vroeger naar huis ging dan ik — hij woonde vooral buiten de Stad en wilde zoveel mogelijk voor de grote stroom aan zijn — en ikzelf best begrip voor zo'n situatie hadden en de man altijd weer met een stapel boeken vertrok, wilden we geen spelbrekers zijn.
Kort daarna kwam hij eens bij het afrekenen tot de conclusie dat hij in de haast zijn portemonnee thuis had laten liggen. Toch wilde hij, als fervent lezer, graag de boeken mee hebben. "Mijn naam is Da Costa," zei hij. Die dag waren de collega en ik beiden in de zaak, en uit één mond vroegen we:
"Nog familie?"
Hij keek verbaasd-stralend.
"Hij was mijn overgrootvader," zei hij. "In uw vak is de naam natuurlijk wel een begrip, maar verder is er nu toch bijna niemand meer die weet wie hij was. Ik ken zelf nog wel diverse van zijn gedichten uit mijn hoofd."
Ik keek de man eens goed aan en concludeerde dat hij wel enige gelijkenis met de ooit grote vaderlandse dichter vertoonde. Hij knikte instemmend en meldde dat hij dat veel vaker te horen gekregen had.

Korte tijd daarna kwam hij ook nog weer op een zaterdagochtend. Bij mij zat een buurman van enkele deuren verder, de eigenaar van de kantoormachinehandel aldaar. De beide heren begroetten elkaar opgetogen, spraken nog wat over een schrijfmachine en ook over algemeenheden. Daarna ging de achterkleinzoon weer op zoek in de relatief grote hoeveelheid Engelse pockets. Nadat hij was vertrokken, vertelde de buurman dat hij enige tijd daarvoor een schrijfmachine bij deze Da Costa in Bedum had afgeleverd.
"Een heel bijzondere man. Je zou hem eens moeten bezoeken. Hij zal dat zeker op prijs stellen en voor iemand met jouw vak is het een fascinerende belevenis, dat geef ik je op een briefje. Hj heeft zijn hele ruimte vol met stapels boeken, en op de tafel waar hij zit te lezen, liggen zijn nieuwste aanwinsten. Hij leest veel en er is nauwelijks of geen plaats voor iets anders dan boeken. Hij moet aan diezelde tafel eten. Als het zover is, trekt hij zijn enorme pendellamp naar beneden. Daar heeft hij de benodigdheden bovenop liggen: een kaasstolp, een boterpot, mes en vork, kop en schotel en een verpakt brood. Boeken vormen zijn voornaamste voedsel, als je het mij vraagt."
Een tijdlang bleef de toch al wat oudere, jonge Da Costa op donderdagavond net voor sluitingstijd komen. Plotseling kwam er een einde aan die routine, en hebben we hem nooit meer gezien. De buurman van de kantoormachines kon ons evenmin nader inlichten.

dinsdag 11 december 2007

De zogeheten Kruidenierspockets van ons land

Kruideniersartikelen
Ongeveer een halve eeuw geleden moest de Nederlandse detailhandel zich langzaam maar zeker gaan opmaken voor veranderingen, en die begonnen met de bekendmaking dat kruidenierswinkels brood en melk zouden gaan verkopen. Er werd vanzelfsprekend flink geprotesteerd door de betrokken branches met de klacht dat alle als melkwinkels gekwalificeerde zaken geen bestaan meer zouden hebben en ook de bakkerswinkels niet voldoende basis meer zouden houden voor een eigen plaats in de maatschappij. Waar laat gij uw glorie? zou een passende vraag geweest zijn.
Dat van de melkwinkels is relatief snel een feit geworden en het fenomeen heeft zich nimmer hersteld. Bij bakkerswinkels ligt het anders: daar is een tijdelijk dieptepunt geweest, dat echt ging opvallen als ergens een nieuw winkelcentrum werd geopend. Het grootste in die categorie, dat vanaf 1969 in een van de grote steden in Noord-Nederland werd gerealiseerd, en dat na enkele jaren 56 winkels telde, had echter nog steeds geen zogenaamde warme bakker. Inspanningen van de kant van de organisatie leidden ertoe dat dit enige tijd later wel het geval was, en decennialang is er in hetzelfde pand een bakker (met ovens in het achterste gedeelte van het pand) gevestigd gebleven. Inmiddels zijn dat er in datzelfde, aanmerkelijk vergrote, winkelcentrum zelfs twee zeer uitgebreide zaken, die er overigens ook kaasspecialiteiten en aanverwants bij verkopen.

Bel-pockets
Niet al te lange tijd na de aankondiging van de bovengenoemde, relatief snel ingezette veranderingen met brood en melk, kwam er nog een bericht in de kranten dat kruideniers ook boeken zouden gaan verkopen, hetgeen niet kon worden verboden in verband met Artikel 7 van onze Grondwet. Er ontstond natuurlijk snel weer veel heisa, vooral van de zijde van de boekhandel, die de eigen bestaansgronden weggemaaid zagen. Toch zijn de kruidenierspockets er gekomen, aanvankelijk een reeks, die uitsluitend bij de kruidenier te koop zou zijn: de Bel-pockets met eerst 25 titels voor volwassenen en 5 voor de jeugd.
Ieder die de uitgevers- en boekhandelsbranche een beetje kende, kon op haar en/of zijn vingers natellen dat dit een tijdje goed zou kunnen gaan doordat het fenomeen nieuw was, en dat zou er eerst wel eens toe kunnen leiden dat de verkoop goed zou gaan, ook vanwege het feit dat juist deze titels niet bij de gewone boekhandel verkrijgbaar zouden zijn. Eén boek, uit die reeks kunt u vinden in het artikel over de verfilming ervan, op onze site Tempel der Filmkunst. Het gaat om De Zwarte Tulp door de schrijver van De Drie Musketiers, Alexandre Dumas senior. Voor de rest waren er niet zoveel bekende en dus in commercieel opzicht aantrekkelijke boeken bij, al heeft de uitgever zo goed mogelijk getracht om een zo breed mogelijk scala te bieden: romantiek en liefde naast avonturen, spanning en humor, een doktersroman van de toen zeer populaire Frank G. Slaughter.
Hoewel ik, zelf groot boekenliefhebber en dito koper in die jaren bij geen enkele kruidenier in mijn woonplaats ook maar één van die boeken ben tegengekomen — ik zag ze alleen op een foto in de krant —, zijn de boekjes aanvankelijk redelijk verkocht, maar toen de klad er eenmaal in zat, is er ook geen opleving weer gekomen. Al die Bel-pockets, op misschien één of twee goedlopende titels na, zijn beland in de ramsj, bij de toenmalige opperkoning van ons land voor dit onderdeel van het boekenbedrijf. Toen kostten ze niet meer één gulden vijfentwintig of één vijftig, doch slechts 49 cent. Elders in het land waren ze eveneens in de dump te koop — door een ruilhandel met die boekengrootmogol te Amsterdam — maar daar moest twintig cent per boekje meer worden neergeteld, maar dat vormde geen probleem.

Boeing-pockets
Die noordelijke grossier vertelde dat ook de reeks Boeing-pockets was bedoeld voor verkoop uitsluitend bij de kruidenier, met 20 titels voor volwassenen en eveneens enkele voor de jeugd, en binnen die twintig titels toch een reeks geheel volgens hetzelfde stramien als bij de Bel-pockets: streekroman, wild west, avontuur, liefde, detective, doktersroman. Deze waren echter voor het grootste gedeelte, zo niet alle eerder als gebonden boek verschenen bij dezelfde uitgever als van de Boeing-pockets: Van Tuyl te Zaltbommel, voor die gelegenheid N.V. Centrale Uitgevers Maatschappij geheten. Enkele van die titels hadden internationale vermaardheid verworven, onder meer door de verfilming, zoals Het Ox-Bow incident, en niet te vergeten de roman Moonfleet, ook een rolpent van Fritz Lang, die we nog met enige regelmaat in de thuisbioscoop voorgeschoteld krijgen.
Eind jaren vijftig bleef die uitgeverij ook met zo'n hoeveelheid pockets zitten, welke niet in één boodschap werden meegenomen bij de aanschaf van krenten en rozijnen, biskwie en rookvlees, dat de complete serie van twintig bij het postorderbedrijf Wehkamp gratis werd verstrekt bij aankoop van een bouwpakket voor een uitklapbaar wandbureautje met twee boekenplanken. Het geheel kostte slechts negenendertig gulden en volgens de gegevens van het postorderbedrijf kostte de complete Boeing-reeks van twintig pockets alleen al dertig gulden.
Enige jaren nadat de Bel-pockets in het goedkope-boeken-circuit buiten de normale boekhandel waren beland, gebeurde hetzelfde met de Boeing-reeks. Ook deze gingen grif van de hand voor de somma van 49 ct in de randstad, voor twintig cent meer elders in den lande, vooral boven de grote rivieren.
Het is inmiddels alweer lang vergane glorie, maar zo af en toe zie je, op markten of in kratten en dozen op straat vóór de tweedehandszaken, nog wel weer eens een boekje uit één van die beide reeksen. De jeugdboeken — in beide reeksen met flink wat minder titels vertegenwoordigd — ben ik nimmer meer tegengekomen.
____________
Afbeeldingen
1. Boeing-pocket nr. 1, die overigens onder een andere titel, Hij liep een eindje om, reeds in de Bel-reeks was verschenen.
2. Bovenaan foutief afgesneden exemplaar van De Vogel in de Boom, roman van de toen veelgelezen Engelse schrijfster Elisabeth Goudge.
3. Van Frank Slaughter verschenen in die tijd enkele dokters-omnibussen, waarvan de inhoud, vooral door vrouwen, werd verslonden. Deze titel in de reeks Bel-pockets was dan ook als één van de eerste uitverkocht toen deze later in de ramsj terechtgekomen waren.
4. Slaughters tegenhanger in de Boeing-reeks.
5. Een Nederlandse roman over een musicus, die zijn geboortestadje na lang weer eens bezoekt.
6. Klein vignet van de Bel-pocketreeks met een openliggend boek op de indertijd typische kruideniers-weegschaal. Het vignet stond links onderaan op de bladzijde tegenover de titelpagina van de Bel-reeks.

zaterdag 8 december 2007

Het geheim van ‘een soort van schrijver’

1967 oftewel prehistorie: ook toen deed de auteur het 
meestentijds met zesentwintig letters.
In mijn boekhandelstijd, nu alweer meer dan vier decennia geleden, had mijn oudere collega voor de laatste week van februari in een schrikkeljaar een aardig idee voor een advertentie. Mensen, die op 29 februari waren geboren en dit op de één of andere manier aannemelijk konden maken, mochten, als speciaal cadeau, voor tien gulden boeken bij ons uitzoeken.

Om half tien die bewuste ochtend stapte één van onze vaste klanten ietwat hijgend binnen. “Zijn er al veel geweest?” vroeg hij. “Kan ik nog in aanmerking komen?”
Daarmee was ook de haast verklaard waarmee hij zijn fiets had geplaatst en het portiek binnen was geijld. Ik legde hem uit dat het voor ieder gold, van jong tot oud, onafhankelijk van het aantal. Echt overtuigd leek hij niet; daar moest toch wel ergens een slangenboekje vol addertjes verstopt zijn.

Hij toonde mij zijn paspoort en wees trots naar de datum. Vierenveertig jaar was-ie. Nu wilde ik zijn reactie wel eens horen op een paar vragen. Ten eerste wilde ik, om het ijs een beetje te breken, weten of hij nu echt 44 jaar was, of slechts 11 of zelfs al 176, omdat ik immers niet wist of de verjaardag elk jaar opnieuw en met de bijbehorende poespas werd gevierd of alleen in die schrikkeljaren. “Nee, ik ben in 1920 geboren, dus reken maar uit,” zei de heer L.
”Maar hoe doet u dat nu in die jaren dat er geen 29 februari is?” vroeg ik.”Vier je het dan al op de achtentwintigste of pas op de dertigste?”
De man bleek echter onverslaanbaar; ik kreeg geen voet aan de grond.
“Nee, wij vieren het altijd in het weekend, als de familie komen kan.”
Tijdens het zoeken naar wat leuke boeken kwam hij af en toe even weer bij mijn bureau staan en legde hij het het uitgezochte neer. Die stapel kon redelijk groot worden, vooral omdat boeken in die tijd relatief gezien weinig kostten ― we hadden ze vanaf 49 cent voor een gebonden exemplaar uit restantpartijen ― en meneer L. altijd heel goed keek wat hij uitzocht. Toen hij weer even bij het bureau bleef staan, keek hij me eens onderzoekend aan.
”Nou heb ik van uw collega begrepen dat u een soort van schrijver bent. Dat had ik niet gedacht. Ja. . .niet dat ik dacht u dòm was. Neeee, dat niet. Maar ik vind het wel knap dat u dan weer dit schrijft, en dan weer dat. Een stukje over kunst, dan weer een essay-tje en ook wel eens iets met psychologie, zei meneer B. Kijk, als dat nou allemaal kinderboeken waren, dan kon ik het wel begrijpen. Dat is zo gemakkelijk, die kan ik zelf ook wel schrijven. Maar dat wat u doet.. .”
“Meneer L., een kinderboek schrijven van enige kwaliteit, behoort tot het moeilijkste wat er in dit vak bestaat.”
Dat zag ik vanzelfsprekend helemaal verkeerd en meneer L. verzekerde mij dat hij al een hele reeks in zijn hoofd had die, eenmaal uitgegeven, een grote populariteit zou verwerven, omdat hij wist dat het spannend moest zijn en dat je daarin best eens grote mensen mocht laten merken dat kinderen heus wel wisten wat mooi en goed was.
”Nee. . .u hoort daar nog wel van. Maar ik kan er toch niet goed bij dat u hier doodgemoedereerd in de winkel zit, klanten helpt, telefoon aanneemt, een praatje met de mensen maakt en dan tussendoor zo vanzelfsprekend zit te typen.”
Toen kon ik het niet laten. Ondanks de omstandigheid dat er op dat zeer regenachtige moment helemaal geen andere klanten in de winkel waren, boog ik me iets naar hem toe, en zei samenzweerderig: “Als u er niet over praat, meneer L., dan wil ik u in vertrouwen wel vertellen waarom me dat zo gemakkelijk afgaat.”
Stralend keek hij me aan, een gelaatsuitdrukking die ik tot dan toe nog niet bij hem had kunnen constateren. Vol verwachting klopte zijn verjarend hart. Ook hij boog zich iets naar mij toe, omdat hij al begreep dat hij deelgenoot zou worden van iets dat weinigen weten ― net als bij “der liefde geheimnis: onstilbare honger, onlesbare dorst”.
“Meneer L., ik gebruik maar zesentwintig letters; die zet ik steeds weer in een andere volgorde, en dan lukt het mij allemaal wel weer.”
Verbijsterd deinsde hij ietwat achteruit.
”Maar zes - èn - twìntig?” Dat liet hij even inzinken, en toen vervolgde hij hoofdschuddend. “Dat had ik nou helemaal niet gedacht.”
Daarna vervolgde hij zijn zoektocht en uiteindelijk had hij de boeken gevonden, die hem konden bekoren. Hij kon het allemaal maar moeilijk geloven: die vele boeken voor een tientje nu gratis ― “Daar heb ik wel voor een maand aan te lezen” ― en dan dat geringe aantal letters.
Bij het verlaten van de winkel hield hij de klink van de deur even vast en draaide hij zich nog eens naar me om. Hij schudde opnieuw zijn hoofd en keek meer naar de parketvloer dan naar mij toen hij de inmiddels historische woorden sprak: “Maar zesentwintig. Wie had dat ooit gedacht.”

_______________
Foto (1967):