Posts tonen met het label Memoires: Humoristische momenten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Memoires: Humoristische momenten. Alle posts tonen

dinsdag 23 september 2008

Alles wat u voelt, denkt of wilt weten . . . . .

Gevoeligheden
In de beginjaren van mijn boekhandels- en uitgeverstijd in Groningen — en dat is inmiddels alweer ruim vier decennia geleden — zag ik op een zeer rustige namiddag in de vroege herfst van 1964 een kleine, magere, gedrongen man zeer nadrukkelijk elk boek in de etalage aan de straatkant bestuderen, om vervolgens heel langzaam verder te lopen in de richting van het portiek en aldaar verder te bezien wat de uitstallingsruimte te bieden had. Hij maakte de indruk dat hem niet één zichtbare titel op een boek mocht ontgaan. Het zal al met al een half uur hebben geduurd voordat de man de winkel binnenkwam, een korte groet mompelde en vroeg of hij mij kon consulteren.
"Meneer," zei hij ietwat dreinend-plechtig, en hij wees in de richting van de betonnen steunbalken overdwars, die mijn oudere collega al jaren eerder door een reclameschilder van — met grote letters, goed leesbare — spreuken had laten voorzien. "Nu staat daar een spreuk: Alles wat u voelt, denkt of wilt weten, het is in boeken te vinden. — Ik heb aan u de vraag: Heeft u ook een boekje over het gevoelsleven van een mier?"
"Helaas kan ik u daar niet aan helpen."
"Meneer," zei de man, nog gedecideerder dan tevoren. "Dan mag u die spreuk daar niet hebben staan."
"Toch wel, hoor," riposteerde ik. "Er staat immers niet bij dat al die boeken hier te vinden zijn."
Zonder verdere woorden liet de man toch merken dat het hem echt niet beviel, en met een afgemeten "Goedemiddag" verdween hij zoals hij was gekomen, nu in omgekeerde richting de etalage aan eenzelfde uitgebreide inspectie onderwerpend.

woensdag 6 augustus 2008

Een Tachtiger en diens onbekendheid in de wereld der lezers in de tweede helft van de 20ste eeuw

Advertentieleed
Mijn anderhalve generatie oudere collega JB bedacht in 1964 weer eens een stunt voor de advertentie in het stedelijke huis-aan-huisblad met een toenmalige monopoliestatus. De acquisiteur, een rustige, sympathieke man die echter niet kon worden beschuldigd het buskruit of iets soortgelijks te hebben ontdekt, kwam met enige regelmaat even een praatje maken, om op die manier het waakvlammetje onzer belangstelling flakkerende te houden. Hij kon goed praten en hij kon evenzeer luisteren, maar niet elke grap begreep hij. Tweemaal per jaar kon dezelfde 'grap' als deze niet beide keren van dezelfde persoon kwam. Dus vertelden JB en ik, ieder afwisselend, eens per jaar dat het niet gekker moest worden "met die krant". — "Meneer D, als dat nu zo verdergaat, zeg ik mijn abonnement op uw krant op." Meneer D rechtte dan altijd zijn schouders en keek heel plechtig als hij ons van een onmiskenbaar feit op de hoogte stelde, met vanzelfsprekend in de analen opgenomen woorden: "Wij kennen het systeem van abonnees niet."
Een feit overigens dat op vele van — ik denk zelfs al — die bladen in ons land en elders van toepassing was.

Enfin, JB die een grote voorliefde koesterde voor de schrijfsels van de Tachtigers — welke reeds toen grotendeels waren vergeten — wilde wel eens zien hoeveel mensen de twee navolgende dichtregels konden thuisbrengen:

"Zoals de vlam het hout mint dat zij verteert
Zo minde God mij die mijn vlees verteerde"

Dit liet hij zo in de advertentie opnemen met de toevoeging dat de eerste die op de dag na verschijnen van de huis-aan-huiskrant met de juiste naam van de dichter kwam, voor tien gulden aan boeken mocht uitzoeken.
Het bleef op die bewuste donderdag in de jaren zestig van de vorige eeuw op het punt van de Tachtigers heel stil in onze winkel. Om twee minuten vóór zes stonden we al bij de voordeur om deze af te sluiten, toen er iemand op een luxe fiets met nog glimmende trommelremmen het portiek in kwam, zijn tweewieler tegen de etalageruit plaatste, en vervolgens geheel buiten adem de winkel binnenstapte.
"Is het Homerus misschien?" kon hij nog net uitbrengen voordat hij verder naar lucht hapte.
"Neen," antwoordden JB en ik uit één mond.
"Had ik dat nu maar geweten," zuchtte de man, "dan had ik me niet helemaal uit Haren een ongeluk hoeven te trappen om hier nog voor zessen aan te komen."
JB vroeg toen of de man nog wilde weten van wie de bewuste tekst was. — Ja, dat wel.
"Van Hein Boeken."
"Nooit van gehoord," sprak de man teleurgesteld.
__________
Hein Boeken (1861-1933) schreef boven de twee bewuste regels de cursieve regel:

De blinde en melaatse Violane spreekt:

Zoals de vlam het hout mint dat zij verteert
Zo minde God mij die mijn vlees verteerde
En mij in d'oogen van dien man verneerde
Die tot zijn liefste zoet mij had begeerd
___________
Foto: Hein Boeken te Ede; portret door Willem Witsen. (Collectie Prentenkabinet/Studie en Documentatie Centrum voor Fotografie (SDCF), Universiteit Leiden, inv.nr. E.149 .)

zaterdag 8 december 2007

Het geheim van ‘een soort van schrijver’

1967 oftewel prehistorie: ook toen deed de auteur het 
meestentijds met zesentwintig letters.
In mijn boekhandelstijd, nu alweer meer dan vier decennia geleden, had mijn oudere collega voor de laatste week van februari in een schrikkeljaar een aardig idee voor een advertentie. Mensen, die op 29 februari waren geboren en dit op de één of andere manier aannemelijk konden maken, mochten, als speciaal cadeau, voor tien gulden boeken bij ons uitzoeken.

Om half tien die bewuste ochtend stapte één van onze vaste klanten ietwat hijgend binnen. “Zijn er al veel geweest?” vroeg hij. “Kan ik nog in aanmerking komen?”
Daarmee was ook de haast verklaard waarmee hij zijn fiets had geplaatst en het portiek binnen was geijld. Ik legde hem uit dat het voor ieder gold, van jong tot oud, onafhankelijk van het aantal. Echt overtuigd leek hij niet; daar moest toch wel ergens een slangenboekje vol addertjes verstopt zijn.

Hij toonde mij zijn paspoort en wees trots naar de datum. Vierenveertig jaar was-ie. Nu wilde ik zijn reactie wel eens horen op een paar vragen. Ten eerste wilde ik, om het ijs een beetje te breken, weten of hij nu echt 44 jaar was, of slechts 11 of zelfs al 176, omdat ik immers niet wist of de verjaardag elk jaar opnieuw en met de bijbehorende poespas werd gevierd of alleen in die schrikkeljaren. “Nee, ik ben in 1920 geboren, dus reken maar uit,” zei de heer L.
”Maar hoe doet u dat nu in die jaren dat er geen 29 februari is?” vroeg ik.”Vier je het dan al op de achtentwintigste of pas op de dertigste?”
De man bleek echter onverslaanbaar; ik kreeg geen voet aan de grond.
“Nee, wij vieren het altijd in het weekend, als de familie komen kan.”
Tijdens het zoeken naar wat leuke boeken kwam hij af en toe even weer bij mijn bureau staan en legde hij het het uitgezochte neer. Die stapel kon redelijk groot worden, vooral omdat boeken in die tijd relatief gezien weinig kostten ― we hadden ze vanaf 49 cent voor een gebonden exemplaar uit restantpartijen ― en meneer L. altijd heel goed keek wat hij uitzocht. Toen hij weer even bij het bureau bleef staan, keek hij me eens onderzoekend aan.
”Nou heb ik van uw collega begrepen dat u een soort van schrijver bent. Dat had ik niet gedacht. Ja. . .niet dat ik dacht u dòm was. Neeee, dat niet. Maar ik vind het wel knap dat u dan weer dit schrijft, en dan weer dat. Een stukje over kunst, dan weer een essay-tje en ook wel eens iets met psychologie, zei meneer B. Kijk, als dat nou allemaal kinderboeken waren, dan kon ik het wel begrijpen. Dat is zo gemakkelijk, die kan ik zelf ook wel schrijven. Maar dat wat u doet.. .”
“Meneer L., een kinderboek schrijven van enige kwaliteit, behoort tot het moeilijkste wat er in dit vak bestaat.”
Dat zag ik vanzelfsprekend helemaal verkeerd en meneer L. verzekerde mij dat hij al een hele reeks in zijn hoofd had die, eenmaal uitgegeven, een grote populariteit zou verwerven, omdat hij wist dat het spannend moest zijn en dat je daarin best eens grote mensen mocht laten merken dat kinderen heus wel wisten wat mooi en goed was.
”Nee. . .u hoort daar nog wel van. Maar ik kan er toch niet goed bij dat u hier doodgemoedereerd in de winkel zit, klanten helpt, telefoon aanneemt, een praatje met de mensen maakt en dan tussendoor zo vanzelfsprekend zit te typen.”
Toen kon ik het niet laten. Ondanks de omstandigheid dat er op dat zeer regenachtige moment helemaal geen andere klanten in de winkel waren, boog ik me iets naar hem toe, en zei samenzweerderig: “Als u er niet over praat, meneer L., dan wil ik u in vertrouwen wel vertellen waarom me dat zo gemakkelijk afgaat.”
Stralend keek hij me aan, een gelaatsuitdrukking die ik tot dan toe nog niet bij hem had kunnen constateren. Vol verwachting klopte zijn verjarend hart. Ook hij boog zich iets naar mij toe, omdat hij al begreep dat hij deelgenoot zou worden van iets dat weinigen weten ― net als bij “der liefde geheimnis: onstilbare honger, onlesbare dorst”.
“Meneer L., ik gebruik maar zesentwintig letters; die zet ik steeds weer in een andere volgorde, en dan lukt het mij allemaal wel weer.”
Verbijsterd deinsde hij ietwat achteruit.
”Maar zes - èn - twìntig?” Dat liet hij even inzinken, en toen vervolgde hij hoofdschuddend. “Dat had ik nou helemaal niet gedacht.”
Daarna vervolgde hij zijn zoektocht en uiteindelijk had hij de boeken gevonden, die hem konden bekoren. Hij kon het allemaal maar moeilijk geloven: die vele boeken voor een tientje nu gratis ― “Daar heb ik wel voor een maand aan te lezen” ― en dan dat geringe aantal letters.
Bij het verlaten van de winkel hield hij de klink van de deur even vast en draaide hij zich nog eens naar me om. Hij schudde opnieuw zijn hoofd en keek meer naar de parketvloer dan naar mij toen hij de inmiddels historische woorden sprak: “Maar zesentwintig. Wie had dat ooit gedacht.”

_______________
Foto (1967):