Posts tonen met het label Memoires: Pijnlijke momenten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Memoires: Pijnlijke momenten. Alle posts tonen

zondag 7 december 2008

Een plots verdwenen boek met 'liefdesplaatjes'

Laatste kwartier
Het was op een doordeweekse dag in het jaar 1965; het liep al tegen winkelsluitingstijd. Ik was even het portiek ingelopen om te zien hoe druk het nog buiten op straat was. Net voordat ik weer naar binnen stapte, zag ik dat een stander in de etalage bij de deur leeg was en daarom plaatste ik daar, tussen alle goedkope, antiquarische en veel aanbiedingsboeken, iets duurders: het eerste deel van een reeks van vier waarvan alle delen de titel Love's Picture Book droegen, en die reeds toen het forse bedrag van ƒ 24,50 per deel moesten opleveren. Dat bedrag werd niet alleen maar subjectief als erg hoog ervaren, maar had eveneens objectief voor vraagtekens moeten zorgen. Voor dat bedrag kon je toen bij ons in de zaak ook vijftig verschillende boeken — à raison van 49 cent per stuk — aanschaffen. Maar binnen al dan niet erg serieus bedoelde literatuur over klassieke kunsten kon men toentertijd heel wat meer erotisch gewaagde voorstellingen verhandelen dan zonder het epitheton ornans kunstzinnig. Fraai gedrukt waren die boeken wel, zij het van binnen uitsluitend in zwart/wit. Ze werden dan ook alleen maar door mannen gekocht; daarom mocht je er van uitgaan dat die er geheel andere bedoelingen mee hadden dan het ondergaan van een kunstbeleving. Toch bestond daarvoor een relatief redelijke belangstelling.

Bij het scheiden van de markt
Er was al geen klant meer in de winkel en ik maakte aanstalten al die handelingen te verrichten, welke gebruikelijk en noodzakelijk waren voordat ik de verlichting op de nachtstand schakelde en de zaak kon verlaten. Op het laatste moment kwam er toch nog een van de vaste klanten binnen, die uit één van zijn vaste categorieën een boek koos, maar mij, met dat exemplaar in de hand, naar een andere titel vroeg. Die was weliswaar voorradig, maar daarvoor moest ik toch even naar de opslag in een van de drie kamers achter de winkel. Het boek was heel snel gevonden, en de klant rekende af. Achter hem deed ik de winkeldeur van binnen op slot en verliet ik de zaak via de achterdeur omdat ik nog iets moest meenemen dat in het magazijn stond.

Verrassing
De volgende ochtend betrad ik de winkel via de voordeur en tijdens het omdraaien van de sleutel verbaasde mij de opnieuw lege stander in de etalage, direct naast de ingang. Na enig nadenken besloot ik dat het maar één ding kon betekenen: die laatste klant van de vorige dag moest het bewuste exempaar van Love's Picture Book wel hebben ingepikt. Dat zou ik hem te gelegener tijd nog wel even inpeperen. Maar de vaste cliënt was opeens minder trouw. Normaal gesproken kwam de man gemiddeld eens per week, maar plots liet hij zich niet meer zien. Na enige maanden kwam hij op een middag weer binnen, en — geheel in tegenstelling met zijn gewoonte — liep hij met ferme tred op mij af en begon hij direct te revelen. Daarna koos hij een boek voor een paar gulden en pakte hij zijn portemonnee om te kunnen afrekenen.
"Dat is dan twee vijfennegentig voor dit boek en nog vierentwintig vijftig voor het Love's Picture Book dat u toen uit de etalage heeft gepakt en meegenomen, de laatste keer dat u hier was en ik van achter een boek voor u heb opgehaald," meldde ik droogjes.
De overdonderde koper liep rood aan.
"Hoezo?" vroeg hij quasi verbijsterd. "Ik ben hier een tijd niet meer geweest, maar ik heb de laatste keer gewoon afgerekend."
"Ja," riposteerde ik. "Het gewone boek dat ik van achteren voor u heb opgehaald wel, maar dat dure Love's Picture Book dat u uit de etalage heeft meegenomen, is niet betaald."
De geduimschroefde riep woedend dat het zeker de laatste keer was geweest dat hij iets van mij had gekocht, en dat ik nog wel van zijn advocaat zou horen. "En uw vader ook!" bitste hij.
De man is niet alleen nooit meer in de winkel opgedoken; ik ben hem evenmin ergens weer tegengekomen. Maar een week of drie later lag er, op een ochtend toen ik de zaak binnenstapte, op de mat achter de voordeur, een bruine documenten-envelop met daarin het bewuste exemplaar van Love's Picture Book.

vrijdag 24 oktober 2008

Een driftig tierende boekhandelbezoekster zorgde in 1966 en 1967 voor opschudding

Verbijstering
Het was op een zaterdagochtend in 1966 in de boekwinkel in één van de toen nog zeer drukke winkelstraten van Groningen. Om een uur of elf stapte een in bontjas gehuld wezen binnen en drong zich tussen de klanten die stonden te wachten om te worden geholpen, en middenin het gesprek dat ik met een echtpaar voerde dat de ingepakte stapel boeken in een tas probeerde te doen en nog één en ander vroeg, riep de nieuwgekomene met flinke stemverheffing wat ze dan wel precies wilde. Ik wees haar erop dat ze even geduld moest hebben, aangezien de andere mensen vóór haar aan de beurt waren.
Totale verbijstering maakte zich direct van haar meester en haar gelaatstrekken getuigden daarvan alsof ze dit al heel veel hadden moeten uitdrukken.
"Vuile rotjood!" bulderde ze.
Zonder nadenken opende ik de winkeldeur en terwijl ik haar aan een elleboog met enige drang naar buiten duwde, liet ik dat vergezeld gaan van de mededeling dat er in onze winkel geen ruimte was voor mensen die Joden beledigden.
Ze bleef maar razen en tieren, doch daarop reageerde niemand van de aanwezige klanten en ikzelf evenmin, hetgeen ertoe leidde dat ze na enkele minuten, echter duidelijk met tegenzin, het portiek verliet.

Dwangneurose
Ongeveer twee weken later was ik verdiept in een manuscript van één onzer vertalers; een iewat warrige zinsconstructie zorgde ervoor dat ik niet direct opkeek toen er weer een klant binnenkwam.
"Mag ik hier wat rondkijken?" vroeg een geaffecteerde stem.
"Maar natuurlijk."
"Nou, laatst heb je me eruit gebonjourd."
Ik keek op en zag wie er was binnengekomen.
"Dan weer eruit!" bitste ik haar toe.
"Vui-le rot-jood, vui-le rot-jood," scandeerde ze.
Langzaam maar gedecideerd stapte ik op haar af en met een zeer dreigende blik slaagde ik erin dat ze achterwaarts de winkel verliet. In het portiek bleef ze zodanig tieren — bandiezŋ heet dat in het Gronings — dat ik het nodig vond haar verder achterwaarts, richting trottoir te dwingen door steeds een pas nader te komen, en toen ze toch bleef staan en riep "Hij is en blijft een vuile rotjood", deed ik een onverhoedse stap extra en stampte heel hard met mijn rechtervoet. "O god," riep ze. "Hij is nog gek ook."
Intussen waren er mensen blijven staan, waarvan een enkeling het tafereel hoofdschuddend had aangezien. Eén mevrouw volgde mij de winkel in en vertelde dat het tierende wezen al tijden behoorlijk wonderlijk gedrag vertoonde.
"Begrijpen doe je het niet," vertelde ze. "Zij was zelf met een Jood getrouwd en had een heel goed huwelijk. Toen die man dood was, voelde ze zich heel eenzaam zonder hem. Dus waarom ze anderen voor rotjood uitscheldt . . . . ."

Oliebollen
Een tijdlang zag en hoorde ik haar niet, alleen vernam ik dat ze bij anderen haar beklag over mij had gedaan en allerlei dreigingen met politie en justitie had geuit, omdat ik verplicht zou zijn haar in de winkel toe te laten.
In december liep ik met mijn vrouw in een andere winkelstraat en daar liep ze, etend uit een zak vol oliebollen. Op het laatste moment, toen ze net een ferme beet had gedaan, zag ze me toch nog. Het stuk oliebol viel uit haar mond in de open zak.
"O god," riep ze doodongelukkig. "Daar heb je hem ook!"
Mijn vrouw hoorde onmiddellijk aan de stem wie die mevrouw moest zijn, zo duidelijk had ik haar kunnen imiteren. We liepen maar snel gewoon door, in de hoop dat ze door dit incident niet geprikkeld werd de boekwinkel snel weer te bezoeken.

Zomerdag
Het zal een half jaar later geweest zijn, tijdens een mooie zomerdag, dat ik weer eens zeer ingespannen met een niet al te best gedeelte van een manuscript bezig was in een poging er toch nog enigszins aanvaardbaar Nederlands van te maken. Er was geen klant in de winkel, die middag. Het weer was zodanig dat bijna niemand zich genoopt voelde een boekhandel te bezoeken. Toch hoorde ik in het portiek wat geschuifel en gemompel en via een hoog maar smal zijraam kon ik uit mijn ene ooghoek zien wie er aankwam. En ja hoor, daar maakte ze al geluiden met de klikkende deuropener.
"Hallo," klonk het voorzichtig. "Ik kom binnen, hoor."
Ik liet me niet uitdagen, aangezien ik absoluut geen zin had in haar aanwezigheid, haar getreiter, haar provocerende houding en het krankzinnige gescheld.
Kort tevoren had ik de langste toonbank in de winkel aan een zijde van een korte ketting voorzien zodat niet iedereen daar direct na binnentreden achter kon komen, maar eerst toch flink wat meters moest omlopen. Dat had dagelijks voordelen, maar zorgde er tevens voor dat ik toen niet zo snel als wellicht gewenst bij de winkeldeur kon komen.
Intussen was ze binnengestapt en met het hoofd gebogen naar links keek ze of ik haar wel zag.
"Ach, nu is hij ook al doof," zei ze meewarig. "Hallo, ben je doof?"
Ik was vast van plan haar behoorlijk te laten schrikken, maar hoe ik dat zo hevig zou kunnen realiseren dat het effectief kon zijn, wist ik nog niet, al besefte ik dat ze eerst dichterbij moest zijn. Daarom deed ik gewoon of ik verderging met het redigeren van de tekst in het manuscript.
"Oehoe," klonk het, alweer dichterbij. "Hoor je me niet? Hij zal toch niet echt doof zijn?"
Door het opnieuw uitblijven van een reactie mijnerzijds had ze nu de zevenmijlsdurflaarzen aangetrokken en stond ze aan de andere kant van de brede toonbank, direct tegenover me.
"Ik dacht: ik kom nog maar even," zei ze. "Hoor je me echt niet?"
Kwasi-impulsief boog ik me naar voren en deed alsof ik met tien nagels haar gezicht wilde openkrabben. Tegelijkertijd krijste ik haar toe. Ze deinsde terug en riep geschrokken:
"O god, hij is echt gek!"
Achterwaarts verliet ze de winkel en in het portiek krijste ze nog menigmaal, daarbij steeds weer ineenkrimpend:
"VUI-LE ROT-JOOD!"
Daarna heb ik haar nooit meer gezien.